Geschiedenis van Smilde

Adriaan Pauw was deelnemer in de club van aandeelhouders die de vervening financierden en hij vroeg in 1632 aan het Landschapsbestuur van Drenthe om hem tot Heer van Hoogersmilde te benoemen. In 1634 kreeg hij die benoeming. Hij kwam zelf niet naar Drenthe, maar stuurde zijn rentmeester. Zelf is hij waarschijnlijk nooit in Hoogersmilde geweest, maar benoemde een schulte als plaatsvervanger. Als Heer moest hij de civiele en criminele rechtspraak uitoefenen, de geschillen tussen de inwoners beslechten en de overtredingen bestraffen. Het geld van de boetes was voor hem. Rijk werd hij er niet van, maar de eer was voor hem belangrijker, zo ook het behartigen van familiebelangen.
Toen de Fransen hier in 1798 de macht in handen kregen, was het gebeurd met de Heer van Hoogersmilde. De heerlijke rechten werden afgeschaft, hoewel de schulte van Hoogersmilde nog in functie bleef tot 1803. Er werd met de verschillende dorpen, die later de gemeente Smilde vormden, heen en weer geschoven. Hoogersmilde viel onder het kerspel Diever en had een Heer die de rechtspraak uitoefende. Kloosterveen ressorteerde formeel onder het kerspel Rolde en Hijkersmilde onder Beilen. In 1795 werden Hijkersmilde en Smilde onder één schoutambt gebracht: het schoutambt Hijkersmilde-Kloosterveen. Evert Sikkens, een rijke eigenerfde boer uit Hijkersmilde, werd de eerste schulte. Hij was vóór de Franse tijd al afgevaardigde naar de Landdag als gevolmachtigde voor Hijkersmilde en Kloosterveen.

1_47.jpg

Een stukje voorgeschiedenis over het bestuur in en over de gemeente Smilde

Ca. 1620 In wat nu Hoogersmilde is, woonden toen enkele gezinnen op de hogere zandgronden. Toen ze begonnen met de vervening vanaf de kant van Diever, zo omstreeks 1620, werden er huizen gebouwd langs de gegraven vaart voor de vaste werknemers en breidde het aantal inwoners zich snel uit. Kerkelijk viel Hoogersmilde onder Diever en hoorde dan ook onder het kerspel Diever. Met de uitbreiding van de vaste bewoners en het grote aantal tijdelijke veenarbeiders was er in Hoogersmilde behoefte aan iemand die het wettelijk gezag uitoefende.
In 1798 werd er een reglement opgesteld voor de gemeente Hijkersmilde-Kloosterveen met inbegrip van Hoogersmilde. Pas in 1811 werd de naam officieel gewijzigd in gemeente Smilde. Het gemeentebestuur bestond naast de schulte als voorzitter uit vier leden, twee ervan waren assessoren (voorlopers van de latere wethouders). Gras schrijft in zijn boek "Langs de Vaart":
De eerste gemeentelijke begroting in 1807 bedroeg 505 gulden en 20 cent. ( € 227,35)
De gemeenteraadsvergaderingen werden gehouden in hotel De Veenhoop. Een bedstee diende als archiefruimte. De vergaderingen werden gehouden in een kamertje naast de gelagkamer. Er werd verteld dat de gesprekken in de gelagkamer waren te verstaan, 1_48.jpg wanneer er wat onenigheid was en iemand met stemverheffing zijn mening verkondigde. De kastelein was blij met zulke inwoners, want niet alleen de zittingen werden bij hem gehouden maar ook aangiftes van geboorten en overlijden moesten hier worden gedaan. En daar alles nog te voet ging, was je na zo'n tocht wel toe aan een borreltje. De verteringen van het gemeentebestuur tijdens hun zeldzame vergaderingen bedroegen in 1807 zo'n 100 gulden.
De hoogste post op de begroting. En dan de trouwerijen en verkiezingen nog. De kasteleins boden dan ook tegen elkaar op om het gemeentebestuur maar in hun café te krijgen.
De toenmalige burgemeester Van Riesen vond in 1866 dat het tijd werd om een gemeentehuis te laten bouwen of kopen. De gemeenteraad was tegen. In 1872 bracht raadslid Hoogerbrugge dit onderwerp weer naar voren en De Ruijter de Wildt, die toen burgemeester was, sloot zich hierbij aan. De raad ging akkoord met vijf stemmen vóór en vier tegen.
Gemeentehuis-Smilde Het huis van de overleden burgemeester Van Riesen werd gekocht van zijn erfgenamen. Smilde was toen in Drenthe één van de weinige gemeenten die over een eigen gemeentehuis beschikte. Het geld moest worden geleend, f. 4000 voor het huis en f. 1000 voor de inrichting. In de begroting van 1876 was een bedrag van f. 30 opgenomen voor een nieuwe tafel in de raadszaal. Maar de raad schrapte deze post, omdat ze van mening was dat dit niet noodzakelijk was. Tot hun verrassing zagen de raadsleden op de volgende vergadering de nieuwe tafel toch staan. Op de vraag van wethouder Van Veen wie dit had besloten, antwoordde burgemeester Ebbinge dat dit niet gebeurd was krachtens een raadsbesluit, maar dat het dagelijks bestuur had besloten, nu de traktementen waren verhoogd, het bedrag dat de tafel meer kostte dan in de begroting was opgenomen, uit eigen zak te betalen. Het geld dat nodig was om de gemeente draaiende te houden moest uit plaatselijke belastingen, boetes en accijnzen komen. Pas in 1897 kwamen er rijks bijdragen voor de gemeenten.

Copyright © de Smilde 2011-2024